De engelse cocker spaniel komt voor in een grote verscheidenheid aan vachtkleuren: van diepzwart tot warm goud, van bont tot de ‘roan’- of schimmelpatronen.
Eenkleurige Engelse Cocker Spaniels
De eenkleurige varianten van de Engelse Cocker Spaniel vormen de basis van het kleurenpalet van dit veelzijdige ras. In tegenstelling tot de bonte en schimmelkleurige cockers, heeft de eenkleurige cocker zoals de naam al suggereert voornamelijk één dominante kleur, hoewel een kleine witte vlek op de borst volgens de rasstandaard volledig geoorloofd is.
Zwart, rood, goud en bruin uitgelegd
Allereerst is er de zwarte Engelse Cocker Spaniel, die in zijn meest zuivere vorm (homozygoot) een diep ravenzwarte vacht heeft. Echter, wanneer een zwarte cocker ook drager is van een gen voor een andere kleur (heterozygoot), kan de vacht subtiele schaduwen of een roestige schijn vertonen. Dit komt doordat de hond naast het dominante zwarte gen ook een gen voor bijvoorbeeld rood, bruin of tan met zich meedraagt.
De rode Cocker Spaniel is een ander prachtig voorbeeld van een eenkleurige variant. Deze kleur wordt veroorzaakt door het hebben van twee recessieve rode genen (ee). Hoewel het pigment van de huid en ogen bij rode cockers meestal normaal is, hebben sommige honden met deze genetische samenstelling een minder gepigmenteerde neus.
Daarnaast bestaat er ook de goudkleurige Cocker Spaniel, die meestal zwart pigment heeft. Een goudkleurige cocker met bruin pigment komt ook voor, maar is bijzonder zeldzaam. De bruine (ook wel lever of chocolade genoemd) Cocker Spaniel heeft overal bruin pigment – van de vacht tot de neus, oogleden, lippen, voetkussentjes en zelfs de nagels. Deze kleur wordt genetisch weergegeven als ‘bb’.
Wat is sable en waarom is het zeldzaam?
De sable kleurvariant is een fascinerend patroon waarbij bruine haren zwarte punten hebben. In feite is sable een patroon waarbij de tan-aftekeningen ‘wild’ worden en zich uitbreiden over de vacht. Bij puppies is het donkere haar vaak nog dicht, maar naarmate de hond ouder wordt, neemt het donkere haar af en wordt de lichtere sable-kleur dominanter.
Sable is niet per se zeldzaam zoals sommigen beweren: het wordt gewoon niet zo vaak gefokt in de showwereld. Dit verklaart waarom deze kleurvariant minder vaak voorkomt.
Black & tan en chocolate & tan varianten
Tot slot zijn er de eenkleurige cockers met tan-aftekeningen. Wanneer beide ouders drager zijn van het tan-gen, kunnen varianten als black & tan of chocolate & tan (lever & tan) ontstaan. De tan-kleur kan variëren van stroblond tot hazelnootkleurig en bevindt zich op specifieke plaatsen:
- Twee duidelijke spots boven de ogen
- Aan de zijkant van de snuit en op de kaak
- Aan de binnenkant van de oren
- Tussen opperarm en voorborst
- Op de voorbenen vanaf tenen tot pols
- Op de achterbenen vanaf tenen tot hak
- Onder de staart
Bij rode cockers kan het tan-patroon aanwezig zijn, maar het is vaak moeilijk zichtbaar door het geringe kleurcontrast.
Meerkleurige en schimmelkleuren
Wat zijn roan patronen?
Roan, of schimmel zoals het in het Nederlands wordt genoemd, is een bijzonder kleurpatroon waarbij de basiskleur wordt vermengd met witte haren. Dit creëert een gespikkeld of gemarmerd uiterlijk. In tegenstelling tot een vlek of een simpele kleurencombinatie, bestaat schimmel uit een gelijkmatig mengsel van gepigmenteerde en witte haren.
Genetisch gezien wordt het schimmelpatroon bepaald door het R-locus. Het schimmel-gen (R) is dominant over het niet-schimmel-gen (rr), wat betekent dat een geschimmelde Cocker drager kan zijn van het bonte gen, maar een bonte Cocker nooit drager kan zijn van het schimmel-gen. Dit maakt schimmel het meest dominant overervende patroon bij meerkleurige Engelse Cocker Spaniels.
Blue roan, liver roan en andere varianten
De kleuren van de Engelse Cocker Spaniel binnen het schimmelspectrum zijn verbazingwekkend divers. De meest bekende varianten zijn:
- Blue roan: een mengsel van zwarte en witte haren dat een blauwachtig effect geeft
- Liver roan (bruinschimmel): bruine haren gemengd met wit
- Orange roan (oranjeschimmel): oranje haren gemengd met wit, kan zowel zwart als bruin pigment hebben
- Lemon roan (citroenschimmel): de meest recessieve schimmelkleur, lichter dan oranje
Bij schimmelpatronen bevinden de donkere vlekken zich meestal aan beide zijden van de schedel, bedekken de oren en verschijnen rondom de staartaanzet. Daarnaast kunnen vlekken overal op het lichaam voorkomen. Een opvallend kenmerk van schimmel Cockers is dat hun voetzolen altijd volledig gepigmenteerd zijn – zwart bij blue roan en oranje schimmel met zwart pigment, bruin bij liver roan en oranje schimmel met bruin pigment.
Bonte kleuren: zwart-wit, rood-wit, citroen-wit

Naast de schimmelpatronen zijn er de bonte of ‘parti-coloured’ Engelse Cocker Spaniels. Hierbij heeft de hond grotere vlekken van een specifieke kleur tegen een witte achtergrond. De meest voorkomende combinaties zijn:
- Zwart-wit (met zwart pigment)
- Lever-wit (bruin-wit, met bruin pigment)
- Rood-wit (kan zowel zwart als bruin pigment hebben)
- Citroen-wit (met zwart of licht bruin pigment)
Bij bonte Cockers is het belangrijk om te weten dat de huid onder de witte vacht roze is, terwijl bij gekleurde delen de huid gepigmenteerd is. Bovendien hebben bonte Cockers voetzolen die gedeeltelijk gekleurd en gedeeltelijk roze zijn.
Ticking versus schimmel: het verschil
Hoewel ticking en schimmel op het eerste gezicht vergelijkbaar lijken, zijn er belangrijke verschillen. Ticking bestaat uit kleine gekleurde vlekjes op een verder witte vacht, terwijl schimmel een gelijkmatige menging van gekleurde en witte haren is.
Genetisch gezien ligt ticking tussen schimmel en bont in de dominantiehiërarchie: het is recessief ten opzichte van schimmel maar dominant over bont. Het T-locus, dat overeenkomt met het usherin-gen (USH2A), bepaalt de ontwikkeling van ticking.
Een belangrijk verschil is dat bij ticking grote witte velden kunnen voorkomen, terwijl dit bij schimmel niet mogelijk is [1]. Daarnaast ontwikkelt ticking zich pas na enkele weken – puppies worden zonder ticking geboren, en de kleine vlekjes verschijnen geleidelijk.
De genetica achter de kleuren
Belangrijkste kleurgenen: A, B, E, S, R, T
De vachtkleur van de Engelse Cocker Spaniel wordt bepaald door verschillende genen die elk een specifieke rol spelen in de kleurexpressie:
- A-gen (Agouti): Regelt de tan-aftekeningen en bepaalt patronen van zwart tot wildkleur (sable)
- B-gen (Black/Brown): Bepaalt of de hond zwart of bruin (lever) pigment produceert. Zwart (B) is dominant over bruin (b)
- E-gen (Extension): Verantwoordelijk voor rode kleur bij Engelse Cockers. Een hond met twee recessieve rode genen (ee) wordt rood
- S-gen (Solid): Bepaalt of de vacht eenkleurig is of witte aftekeningen heeft
- R-gen (Roan): Zorgt voor het schimmelpatroon, waarbij R dominant is over r (niet-schimmel)
- T-gen (Ticking): Creëert kleine gekleurde vlekjes in een witte vacht
Daarnaast bestaan er nog andere genen zoals C (pigmentdiepte), D (verdunning), G (vergrijzing), en K (dominantie van zwart) die eveneens invloed hebben op de uiteindelijke vachtkleur.

Wat is het verschil tussen fenotype en genotype?
Bij het begrijpen van cocker spaniel vachtkleuren is het onderscheid tussen fenotype en genotype essentieel:
- Fenotype is hoe de hond er fysiek uitziet – de zichtbare kleur en patronen
- Genotype is de genetische samenstelling die niet altijd volledig tot uitdrukking komt in het uiterlijk
Een hond kan bijvoorbeeld fenotypisch zwart zijn, terwijl hij genetisch drager is van bruin. In dit geval heeft de hond een Bb genotype (zwart met bruin-drager), maar een zwart fenotype. Dit verklaart waarom twee zwarte cockers plotseling een bruine pup kunnen krijgen.
Hoe recessieve genen verborgen kleuren onthullen
Het fenomeen van ‘verborgen kleuren’ komt door de werking van recessieve genen. Een recessief gen komt alleen tot uiting wanneer een hond twee kopieĂ«n ervan heeft (homozygoot). Zolang er een dominant gen aanwezig is, blijft het recessieve gen ‘verborgen’.
Een sprekend voorbeeld hiervan is de bruin-factor. Een zwarte cocker met genotype BB kan geen bruine puppy’s produceren. Echter, een zwarte cocker met genotype Bb (drager van bruin) kan, wanneer gepaard met een andere Bb-drager, bruine puppy’s (bb) voortbrengen.
Hetzelfde geldt voor de rode kleur. Deze wordt alleen zichtbaar wanneer een hond twee recessieve e-genen heeft (ee). Twee zwarte honden die drager zijn van rood (Ee) kunnen samen rode puppy’s krijgen.
Bovendien kan een gen de aanwezigheid van een ander gen maskeren. Zo kan een kleur generaties lang verborgen blijven en dan plotseling in een nestje verschijnen.
Oog- en neuskleur bij verschillende pigmenten
Bij de Engelse Cocker Spaniel hangt de kleur van ogen en neus nauw samen met de vachtkleur. Die samenhang wordt bepaald door dezelfde pigmentgenen die de vachtkleur beĂ¯nvloeden.
Hoe oogkleur verandert bij pups
Een verrassend feit voor nieuwe eigenaren: alle Engelse Cocker puppies worden geboren met blauwe ogen, ongeacht hun uiteindelijke oogkleur. De definitieve kleur ontwikkelt zich geleidelijk. Pups met zwart pigment (zwarte neus) worden geboren met donkerblauwe ogen die direct naar donkerbruin verkleuren. Daarentegen maken pups met bruin pigment (bruine neus) een opmerkelijke transformatie door – van blauw naar groen en uiteindelijk naar verschillende tinten bruin of hazelnoot.
Deze kleurverandering is niet willekeurig maar volgt een voorspelbaar patroon. Bij chocoladebruine puppy’s kan de blauwe iriskleur variĂ«ren van middenblauwe tot donkerblauwe tinten voordat deze geleidelijk verandert.
Bruin pigment en hazelnootkleurige ogen
Het is genetisch onmogelijk om echt donkere ogen te fokken bij een hond met bruin pigment. Volgens de rasstandaard moeten Engelse Cockers “donker bruin of bruin, nooit licht” ogen hebben. Echter, voor leverkleuren, leverschimmel, en lever & wit zijn “donker hazelnootkleurige ogen in harmonie met de vacht” toegestaan.
Honden met lever- of leverroanvachten hebben dus hazelnootkleurige ogen die harmoniseren met hun vachtkleur. Deze hazelnootkleur bevindt zich op het kleurenspectrum tussen donker- en lichtbruin, met een karakteristieke meerkleurige iris – vaak donkergroen of olijfgroen rond de pupil en middenbruin of lichtbruin aan de buitenkant.
Verband tussen pigment en expressie

De iriskleur wordt bepaald door het aantal en type pigmenten. Variaties in uiterlijk ontstaan door verschillen in de verhouding tussen twee types melanine: eumelanine en pheomelanine. Bovendien is een opvallend kenmerk dat de binnenrand van de iris (direct rond de pupil) meestal donkerder is dan de buitenrand, zowel bij zwart als bruin gepigmenteerde honden.
Deze subtiele kleurverschillen dragen bij aan de expressie van de Engelse Cocker Spaniel. De meeste zwart gepigmenteerde Cockers hebben zeer donkerbruine ogen die bijna zwart lijken, wat bijdraagt aan hun zachte maar alerte uitstraling. Wanneer de vachtkleur verdund is, zal de oogkleur hier proportioneel in meegaan, wat de harmonie in het uiterlijk van de hond versterkt.
De Cocker Spaniel Club benadrukt het belang van het volgen van de rasstandaard wat betreft oogkleur en waarschuwt tegen trendy afwijkingen zoals blauwe of groene ogen, die niet binnen de standaard vallen.
Fokken en erfelijkheid van kleur
Het fokken voor specifieke engelse cocker spaniel kleuren is een fascinerend proces dat nauwkeurige kennis van kleurerfelijkheid vereist. Vroeger werden zeldzame kleuren zoals sable niet gewaardeerd en werden pups met deze kleuren soms zelfs geëlimineerd bij geboorte, omdat men vermoedde dat er andere rassen in de stamboom zaten.
Welke combinaties geven welke kleuren?
De kleurmogelijkheden bij het fokken zijn voorspelbaar wanneer je de genetische principes begrijpt. Wanneer beide ouders zwart zijn zonder het recessieve bruine gen, krijg je uitsluitend zwarte pups. Echter, als beide ouders het bruine gen dragen (Bb), zal theoretisch 25% van de pups bruin zijn (bb). Bij een bruine ouder (bb) en een zwarte drager (Bb), is ongeveer 50% van het nest bruin.
Wat betekent het om drager te zijn van een kleurgen?
Drager zijn betekent dat een hond een recessief gen bezit zonder dit te tonen. Een zwarte cocker met genotype Bb heeft een zwarte vacht maar draagt het bruine gen. Deze dragers zijn cruciaal voor het behoud van de kleurvariaties binnen het ras. Bij het fokken met twee dragers bestaat de kans op pups die de recessieve eigenschap wel vertonen.
Kleurverandering door zon en leeftijd
Zwarte cockers kunnen doffer lijken wanneer ze verbleken in de zon, terwijl schimmelpatronen met de leeftijd vaak intensiever worden.

